Gezinnen met een kind met een handicap hebben elke maand zo’n 500 tot meer dan 1000 euro extra nodig. De huidige armoedegrens houdt hiermee geen rekening en onderschat dus sterk wat deze gezinnen minimaal nodig hebben. Bovendien is de bestaande financiële ondersteuning voor kinderen met een handicap vaak ontoereikend.
Dit concludeerde Julie Vinck in haar onderzoek naar het armoederisico voor kinderen met een handicap. Daarin ontwikkelde ze referentiebudgetten voor deze gezinnen. Julie paste deze referentiebudgetten op drie manieren toe: om zicht te geven op de extra kosten waarmee deze gezinnen geconfronteerd worden, om de armoedemeting op basis van inkomens te contextualiseren en om de toereikendheid van financiële ondersteuning te beoordelen.
Daarover gingen collega’s Martine en Sin Mei in de zomer van 2025 met Julie in gesprek. Julie is postdoctoraal onderzoeker bij ReSPOND aan de KU Leuven en onderzocht hoe handicap en armoede bij kinderen samenhangen en welke rol referentiebudgetten en sociaal beleid daarin spelen.
In het interview lees je uitgebreid hoe deze referentiebudgetten tot stand zijn gekomen. In de video hoor je Julie zelf vertellen over de resultaten en meerwaarde die daarbij gecreëerd werd.
Interview:
Martine: Hoe ben je in contact gekomen met de referentiebudgetten?
Julie Vinck: Mijn eerste kennismaking met de referentiebudgetten was al in 2013, toen ik startte bij het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen. Collega's waren daar bezig met het ontwikkelen van internationaal vergelijkbare referentiebudgetten. Daaruit is een studie voortgekomen over de kosten van kinderen die mij geïnspireerd heeft om zelf referentiebudgetten te ontwikkelen voor gezinnen van kinderen met een handicap.
Ik heb dat trouwens niet alleen gedaan, maar samen met mijn collega's Eef Gijbels en Wim Van Lancker. De financiering daarvoor kwam van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen en het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Martine: Waarom ontwikkelden jullie referentiebudgetten voor gezinnen met kinderen met een handicap?
Julie Vinck: We wilden meer te weten komen over de levensstandaard van gezinnen waarin een kind een handicap heeft door de noden en kosten in kaart te brengen. Dat hebben we gedaan voor vier hypothetische kinderen: een kind met cerebrale parese, een kind met een verstandelijke beperking, een kind met een autismespectrumstoornis en een kind met een verstandelijke beperking én een autismespectrumstoornis. Voor elk gezin maakten we een onderscheid tussen inclusief en gespecialiseerd onderwijs en tussen gesubsidieerde en private therapieën.
Deze nieuwe referentiebudgetten geven beleidsmakers concrete handvatten om iets te doen aan de extra kosten waarmee gezinnen met een kind met een handicap worden geconfronteerd.
Julie Vinck
Martine: Hoe pakten jullie dit aan?
Julie Vinck: “We zijn onder andere gaan praten met professionals en met ouders van kinderen met een handicap. Aan hen legden we de lijst met goederen en diensten uit de bestaande referentiebudgetten voor, samen met de profielen van de vier kinderen. Samen brachten we zo in kaart welke bijkomende noden deze gezinnen ervaren om volwaardig aan de samenleving te kunnen deelnemen. Die noden zetten we vervolgens om in geprijsde goederen en diensten om tot de totaalbudgetten te komen.
Martine: Hebben jullie uit die oefening belangrijke lessen kunnen trekken?
Julie Vinck: Absoluut! Het viel vooral op dat gezinnen met een kind met een handicap elke maand wel 500 tot 1.000 euro extra nodig hebben als ze volwaardig aan de samenleving willen delen. Met die uitgaven houdt de armoedegrens geen rekening waardoor die dus de financiële uitdagingen van deze gezinnen aanzienlijk onderschat. Ten slotte stelden we ook vast dat de bestaande financiële ondersteuning voor kinderen met een handicap in Vlaanderen vaak onvoldoende is om al die extra kosten te dekken waardoor een groot deel van de kosten rechtstreeks door de gezinnen zelf gedragen moet worden.
Martine: Tot slot, wat is de meerwaarde van dit onderzoek?
Julie Vinck: Deze nieuwe referentiebudgetten hebben niet alleen hun wetenschappelijke meerwaarde, maar ze geven beleidsmakers concrete handvatten om iets te doen aan de extra kosten waarmee gezinnen met een kind met een handicap worden geconfronteerd.