Terug naar Nieuws
Meetinstrumenten in het sociaal werk zijn geen uitzondering meer. Voor beleidsmakers en managers moeten ze bijdragen tot meer efficiëntie, transparantie en gelijkheid. Hoewel hier weinig aan te merken valt, zijn deze doelen niet eenvoudig om te realiseren in het complexe werkveld van hulpverlening. Cliënten hebben verschillende noden die een aanpak op maat vereisen. Dat maatwerk is moeilijker te bieden wanneer je meetinstrumenten moet gebruiken met vooropgestelde vakjes, breed te interpreteren maatstaven en abstracte categorieën.
In realiteit zorgt de inzet van meetinstrumenten daarom voor een spanningsveld. Terwijl maatschappelijk werkers vrijheid nodig hebben om te kunnen handelen op maat van hun cliënten (hun zogenaamde discretionaire ruimte), beogen beleidsmakers met strakke meetinstrumenten taken te standaardiseren en de handelingsvrijheid in te perken.
In zijn masterproef Sociaal Werk zette Timo Daems dit spanningsveld centraal en onderzocht hij hoe OCMW-maatschappelijk werkers hiermee omgaan bij het gebruik van de REMI-tool. Hij vroeg zich af of de REMI-tool een invloed heeft op het besluitvormingsproces van maatschappelijk werkers. Samengevat stelde hij vast dat zeven organisatiefactoren hiervoor leidend zijn. Deze zorgen voor vier strategische reacties bij maatschappelijk werkers.
De studie identificeerde zeven organisatiefactoren die bepalen op welke manier de REMI-tool wordt gebruikt in de praktijk:
de attitude tegenover de REMI-tool, de organisatie en de bredere welvaartsstaat;
de complexiteit van de cliëntendossiers;
de mate van specialisatie van de maatschappelijk werker;
de beslissingsautoriteit van het Bijzonder Comité van de Sociale Dienst (BCSD);
de caseload;
peer-ondersteuning bij collega’s;
de superviserende structuur binnen de organisatie.
Deze organisatiefactoren maken dat maatschappelijk werkers de REMI-tool niet allemaal op dezelfde manier gebruiken en dat de tool dus niet zorgt voor de gewenste standaardisatie. Deze kunnen worden samengebracht in vier strategische reacties:
Hoewel de REMI-tool bedoeld is om steunvoorstellen beter te onderbouwen, kan worden vastgesteld dat maatschappelijk werkers soms compromissen sluiten waarbij ze balanceren tussen de verwachtingen van de cliënt en die van het BCSD;
Er heerst een grote variatie tussen het moment waarop maatschappelijk werkers de REMI-tool inzetten om hun diagnose van behoeftigheid te maken: sommigen doen dit van bij de start van het dossier, terwijl anderen het gebruik van de tool zo lang mogelijk ontwijken;
Het afstoten, hier onder meer vertaald als het initieel afwijzen van de tool komt beperkter voor in de bestudeerde praktijk en hangt samen met fatalistische attitudes of het ervaren van een te hoge werklast door de maatschappelijk werkers;
Een vierde strategische reactie die vanuit de literatuur wordt benoemd als manipuleren bestaat erin dat maatschappelijk werkers een grote bewegingsvrijheid hebben bij het invullen van de tool, bijvoorbeeld over de wijze waarop het gezinsinkomen wordt bepaald of over het al dan niet aanmerking nemen van bepaalde bijkomende uitgaven zoals schulden.
De belangrijkste conclusie uit deze studie luidt dat (meet)instrumenten de verwachtingen van beleidsmakers en managers om hulpverlening zo uniform en gelijk mogelijk te maken nooit volledig zullen realiseren. Dit hoeft zelfs geen probleem te zijn omdat de handelingsvrijheid van maatschappelijk werkers bijdraagt aan goede en moreel correcte hulpverlening.
De REMI-tool vormt daarvoor een uitgelezen kans. Deze tool zet namelijk niet in op het aanbieden van gelijke hulpverlening, maar streeft naar gelijkwaardige hulpverlening. Daarmee kan de tool zowel een bijdrage leveren aan goede hulpverlening op maat van een cliënt als aan de verwachtingen van beleidsmakers om hulpverlening transparanter te maken. Dat de tool tegelijkertijd vooral inzet op het realiseren van het grondrecht op een menswaardig bestaan, vormt een extra troef voor het sociaal werk.
Wil je de masterproef zelf lezen? Stuur gerust een mailtje naar daems.timo@gmail.com.
Timo Daems studeerde af als master Sociaal Werk aan de Universiteit Antwerpen, onder promotorschap van prof. dr. Peter Raeymaeckers. Daarvoor behaalde Timo de bachelor Maatschappelijk Werk aan de Karel de Grote Hogeschool. In die opleiding deed hij praktijkervaring op bij de intakedienst van het OCMW van Brasschaat en werkte hij mee aan de implementatie van de REMI-tool. Nu werkt hij voor het OCMW van Schoten waar hij het Geïntegreerd Breed Onthaal voor de regio Noord-Antwerpen mee vormgeeft.