“Kijk even mee naar ons kunstwerk van de week over de St. Elisabethvloed.” Leraar Heleen Buhrs wijst naar het schilderij aan de themamuur. “Onder het schilderij staat wanneer het geschilderd is. Zie je dat? Circa 1490 – 1495. Circa … Dat betekent dat we eigenlijk niet weten exact wanneer het is geschilderd. Gek he?” De nieuwsgierigheid van de leerlingen in groep 7 is meteen gewekt. Vorige les hadden ze het over de watersnoodramp in 1953. Heleen vertelt hun dat ze in deze les 600 jaar terug in de tijd zullen gaan: waarom heet het schilderij zo, en wat waren de oorzaken en gevolgen van die vloed? “Bovendien”, daagt ze hen uit, “zal blijken dat er heel wat fabels over die vloed de ronde doen. En dat komt deels door dit schilderij.” Dat vinden de leerlingen best spannend.
We zijn te gast op de Alan Turingschool in Amsterdam, waar we mogen aanschuiven in de klas van Heleen Buhrs, groep 7. Het thema van de les: watersnoodrampen, een les die kadert binnen het bredere thema Nederland Waterland, een van de kennisrijke thema’s die de Alan Turingschool ontwikkelde. De school bouwt kennis op via een coherente ‘spiraalaanpak’: thema’s komen terug binnen doordachte leerlijnen, telkens op een dieper niveau. Wie naar de andere klassen kijkt, ziet dus ook daar themamuren rond hetzelfde thema. Heleen heeft de voorbije jaren ruime ervaring opgedaan in het lesgeven met het kennisrijke curriculum dat ze op school ontwikkelden. Net daarom komen we observeren. Dit bezoek is het eerste in een reeks van observaties en gesprekken met leraren die al ervaren zijn in het lesgeven met een kennisrijk curriculum. Via een cognitieve taakanalyse brengen we in kaart welke vaardigheden deze leraren inzetten voor, tijdens en na de les, welke kennis ze (vaak impliciet) gebruiken om doordachte keuzes te maken en welke overtuigingen daaraan ten grondslag liggen. In deze blog delen we onze observaties uit de les van Heleen.
Heleen wisselt doorheen de les bewust van aanpak. Ze vertelt een verhaal - over hoe de watersnoodramp vernoemd werd naar de heilige Elisabeth van Thüringen, over de fabels die door de eeuwen heen zijn ontstaan over de ramp. Tijdens die verhalende lesfasen laat ze af en toe een doelbewuste stilte vallen, bijvoorbeeld als ze vertelt over het wiegje van Beatrijs dat staat afgebeeld op het schilderij. Die stilte biedt kans tot reflectie. “Oh, daar ligt een baby’tje in … en dat wordt meegesleurd door het water”, fluistert een leerling.
Daarna lezen ze samen een informerend artikel over de oorzaken en gevolgen van de vloed. Aan het einde van de les volgt een filmfragment over de vloed, maar niet zomaar: “Denk tijdens het bekijken goed na over welke nieuwe informatie je hier nog uit kan halen - dingen die je dus nog niet in het artikel kon lezen.”
Tussendoor worden de leerlingen steeds opnieuw uitgedaagd om na te denken over de nieuwe leerstof en hoe die verband houdt met wat ze eerder leerden over watersnoodrampen.
Dit soort leeractiviteiten worden in de onderzoeksliteratuur generatieve leeractiviteiten genoemd. De naam zegt het al: leerlingen genereren iets nieuws – een uitleg, een schema, een tekening – op basis van wat ze hebben geleerd. Die verwerkingsopdrachten dagen leerlingen uit om diep na te denken over de leerstof en die te ‘herkneden’, en juist dat zorgt ervoor dat de leerstof beter beklijft. Terwijl de leerlingen werken, loopt Heleen rond en luistert mee. Zo weet ze nadien precies wie een sterke vraag bedacht heeft, en kan ze die leerling gericht aanduiden om die te delen met de groep. Aan het einde van dit thema, vertelt ze de klas, zullen ze samen kritisch nadenken over hoe Nederland omgaat met water: blijven vechten tegen het water, of ermee leren leven? De complexe denkvaardigheden worden tijdens de kennisrijke lessen dus rechtstreeks gelinkt aan de leerstof zelf; en leerlingen worden uitgedaagd om erover na te denken op basis van de voorkennis die deze (en vorige) les werd opgebouwd.
Wat ook opvalt: de leerlingen weten precies wat er van hen wordt verwacht. Ze zijn duidelijk vertrouwd met de technieken die de leraar inzet om hen de leerstof te laten verwerken. Die didactische routines laten Heleen toe om snel te schakelen. Ze verliest geen tijd met haar aanpakken, en de kinderen houden ervan. Een overleg met een schoudermaatje start vlot: “Nummer twee begint deze keer”. En na een vriendelijke “1, 2, 3, 4 en 5” richten alle leerlingen hun blik terug op Heleen. Een enkele keer herinnert ze hen aan de gemaakte afspraken: “We denken in stilte na, zonder in ons schrift te kijken.”
Die heldere verwachtingen over gedrag blijken doorheen de hele les. Bij de start van de les vraagt Heleen de leerlingen om de tafel klaar te maken en een potlood, lat en gom te nemen. Wie dat snel doet, krijgt een compliment – een subtiele manier om de hele groep mee te krijgen. Ook over het gedrag dat ze verwacht tijdens het werken is ze duidelijk. “Ik duid zo dadelijk iemand aan om een feit over de St. Elisabethsvloed uit de tekst te delen. Ik wil dat je je vinger plaatst bij één feit dat je aanduidde in de tekst. Zo hoef je, als ik je aanduid, niet meer te zoeken in de tekst.” Die verwachtingen zijn ook zichtbaar gemaakt in de klas, met foto’s van hoe een goede schrijf- en luisterhouding er bij hen op school uit ziet. Of hoe routines zowel de didactiek als het klasmanagement helpen. Kleine afspraken, groot effect.
Tot slot viel op hoe goed Heleen haar leerlingen kent. Elke leerling wordt gezien. De ene leerling krijgt extra ondersteuning tijdens het zelfstandig lezen van de tekst, de andere een bemoedigend schouderklopje. Af en toe maakt ze een grapje, wat zorgde voor een cognitieve luchtigheid in de klas.
We zagen een bevlogen leraar die met veel zorg en vakmanschap haar lessen uitbouwt. Kennis wordt opgebouwd, herhaald, verdiept. Leerlingen worden uitgedaagd om echt na te denken en werken enthousiast en ijverig mee. Dat was genieten.