Hotel Mama is populair. Volgens Knack verlaten Belgische jongeren vandaag het ouderlijk huis gemiddeld op 26,2 jaar. Daarmee wonen we langer thuis dan jongvolwassenen in Nederland (23,2 jaar), Frankrijk (23,5 jaar) of Duitsland (23,9 jaar) maar korter dan jongeren in Griekenland (30,7 jaar) of Kroatië (31,3 jaar).
Langer thuis blijven wonen, betekent ook dat deze werkende jongvolwassenen minder kosten hebben en dus soms goed kunnen sparen.
Wij berekenden op vraag van Knack de minimaal noodzakelijke uitgaven voor een Vlaamse, werkende jongvolwassene die jonger is dan 24 jaar, alleen woont en geen eigen wagen heeft, en vergeleken dit met de minimale uitgaven van:
In alle berekeningen gaan we ervan uit dat de jongeren zuinig leven en enkel uitgeven wat minimaal nodig is in het kader van een menswaardig leven.
We berekenden het minimale budget dat een Vlaamse, werkende jongvolwassene die alleen woont, geen wagen heeft en een woning huurt op de private huisvestingsmarkt nodig heeft. Dat komt neer op 1.583 euro aan minimale maandelijkse kosten, of 18.994 euro per jaar. Een grote hap uit dat budget gaat naar huisvesting: aan huur, water, energie, onderhoud en andere kosten is een alleenstaande jongere al gauw 851 euro per maand kwijt.
Wie thuis kan blijven wonen, kan dus veel uitsparen. Maar dat geldt niet helemaal voor de ouders, net op het moment dat ook het Groeipakket en het fiscaal voordeel voor kinderen ten laste verdwijnen. Voor ouders brengt een inwonend kind 428 euro aan kosten per maand met zich mee. Denk aan de meerkost voor de extra slaapkamer voor de jongere, het eten en drinken dat deze jongvolwassene verorbert, extra energieverbruik, waterverbruik, verzorgingsproducten, verzekeringen enzovoort. Deze uitgaven zijn in de praktijk moeilijk te splitsen en worden dus vaak vanuit het gezin betaald. Voor ouders die een bijdrage willen vragen aan hun thuiswonend kind met een eigen inkomen, is 428 euro een redelijk bedrag om te laten bijdragen ter compensatie van kost en inwoon.
Een inwonende jongere die een bijdrage betaalt voor kost en inwoon en daarnaast eigen uitgaven voor ontspanning, kleding, vakantie en dergelijke betaalt van het eigen inkomen heeft minstens 730 euro aan kosten per maand, of 8.757 euro per jaar. Dat is op jaarbasis nog steeds een besparing van 10.237 euro ten opzichte van de jongere die alleen woont.
Een jongere die thuiswoont en geen bijdrage voor kost en inwoon betaalt, hoeft enkel de eigen uitgaven voor kleding, gezondheid en verzorging, ontspanning, onderhouden van relaties en mobiliteit te bekostigen. Die uitgaven schatten we minimaal op 302 euro per maand, wat overeenkomt met 3.623 euro per jaar. Ten opzichte van de jongere die alleen woont, kan de kosteloos thuiswonende jongere daarmee 15.371 euro per jaar besparen.
Samenwonen is goedkoper dan alleen wonen omdat je vaste kosten kan delen, , maar het kost je als jongvolwassene natuurlijk wel meer dan als je thuis blijft wonen. Een samenwonende jongvolwassene moet rekenen op een minimale maandelijkse kost van 1.050 euro, of 12.601 euro per jaar. Tegenover een alleenwonende jongere is dat een besparing van 6.393 euro per jaar. Tegenover een thuiswonende jongere is dat een meeruitgave van 8.978 euro als deze geen kostgeld betaalt, of van 3.844 euro als deze kost en inwoon compenseert.
Nestklevers die in het ouderlijke huis kunnen vertoeven terwijl ze al aan het werk zijn, kunnen dus elk jaar een stevige spaarpot opbouwen tussen de 10.000 en 15.000 euro. Dat bedrag stemt overeen met de minderuitgaven die nestklevers hebben tegenover jongeren die op eigen benen staan en met een minimale maandelijkse kost van 1.583 euro worden geconfronteerd. Wie meer verdient dan 1.583 euro kan dus nog meer sparen. Wie thuis mag blijven wonen als werkende jongvolwassene krijgt dus een mooi financieel duwtje in de rug, zelfs als er kostgeld moet worden betaald.
Maar, dat geldt enkel wanneer de ouders niet uitkeringsgerechtigd zijn. In het geval dat ouders een inkomen uit leefloon hebben, wordt het inkomen van een inwonend kind in aanmerking genomen bij het bepalen van de bestaansmiddelen van de ouders (omzendbrief). In dat geval moet het kind extra bijdragen aan het gezinsinkomen en kan het een stuk minder sparen dan de bedragen die we hierboven vermeldden. In vergelijking met ouders waarbij het gezinsinkomen niet wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een inwonend werkend kind leidt dit tot een fundamenteel ongelijke start van het volwassen leven.