Overslaan en naar de inhoud gaan

De leraar als vakman. Wat zegt een woord?

25/09/2023
Henk Byls Onderzoeker

Je leest en hoort het weer vaker: lesgeven en leraarschap wordt opnieuw gekoppeld aan vakmanschap. In een interview met Het Nieuwsblad trok Tim Surma bijvoorbeeld duidelijk die parallel. Letterlijk: “het leraarschap is ook vakmanschap. Het is belangrijk dat mensen leren hoe ze moeten lesgeven, dat ze de basis meekrijgen.”[1] Ook elders valt de link tussen vakman- en leraarschap op, al dan niet met synoniemen. In een recent artikel over de uitdagingen van AI voor het onderwijs gebruiken Annelies Raes en Jan Elen het analoge “meesterschap”. “Lerenden en onderwijsgevenden moeten in staat worden gesteld om AI te gebruiken zonder het meesterschap over het eigen denken te verliezen.”[2] Blijkbaar is het gemakkelijk om de associatie tussen vakmanschap of meesterschap enerzijds en onderwijs anderzijds te maken. Maar welk beeld van leraarschap roepen we op door het te koppelen aan dergelijke analogieën? Om dat beeld helder te krijgen, is The Craftsman van de Amerikaans-Britse socioloog Richard Sennett interessante lectuur.

Hannah Arendt

Sennett (°1943) schreef The Craftsman in 2008. Het is het eerste boek van een trilogie. In het tweede deel, Together: The Rituals, Pleasures, and Politics of Cooperation (2012), verkent Sennett de bouwstenen van samenwerken. In het sluitstuk Building and dwelling: Ethics for the City (2018) denkt hij na over de toekomst van de stad. In alle drie de werken toont hij zich een nauwgezet en geduldig denker. Daarbij is Sennett niet bang om de ideeën van grote denkers te ontrafelen en bij te sturen.

Het vertrekpunt van The Craftsman is het denken van Sennetts mentor, Hannah Arendt. Zij maakte in haar boek The Human Condition (1958) een analyse van het menselijk handelen. Daarin komt ze tot een drievoudige opdeling: de mens arbeidt (arbeiden), de mens werkt (werken) en de mens handelt (handelen). De arbeidende mens, door Arendt aangeduid als animal laborans, verwijst naar alle activiteiten die nodig zijn om in leven te blijven en die bijdragen tot het levensonderhoud.[3] In het werken onderscheidt de mens zich echt van het dier. Als homo faber maakt hij gebruiksvoorwerpen (artefacten) en toont hij zich meer en meer meester over de natuur. De meest menselijke voltooiing vindt de mens volgens Arendt in het handelen. Handelen is de enige basisactiviteit die zich rechtstreeks tussen mensen afspeelt en die samenvalt met de omgang met anderen.[4] Een leven zonder handelen (en spreken) is voor Arendt letterlijk dood voor de wereld.

Sennett trekt Arendts driedeling van het menselijk handelen niet fundamenteel in twijfel. Wel stelt hij, en dat is het uitgangspunt van The Craftsman, dat Arendt te veel de nadruk legt op het menselijk handelen. Daarmee veronachtzaamt ze schromelijk de activiteiten van animal laborans en homo faber. Ook de arbeidende en de werkende mens denken volgens Sennett op een eigen, waardevolle manier na. Meer zelfs, je ziet het in de materie die ze bewerken, de zaken die ze maken en in de metamorfoses die ze in de wereld tot stand brengen. Sennetts Craftsman gaat dus op zoek naar eerherstel voor animal laborans en homo faber.

Vakmanschap: een hedendaags begrip

In de Nederlandse taal klinkt vakmanschap wat ouderwets en middeleeuws, zeker wanneer je het associeert met ambachten. Het suggereert een levenswijze die met de Industriële Revolutie is verdwenen. Toch is dat volgens Sennett een misleidende visie. Meer dan we denken bepaalt vakmanschap nog steeds ons leven. Zeker wanneer het verwijst naar de blijvende menselijke drijfveer om “de dingen goed te doen” (“to do a job well for its own sake”).[5] Voor Sennett gaat dit veel verder dan alleen maar geschoolde handenarbeid. Een chirurg toont zijn vakmanschap wanneer hij een verbrijzelde enkel terug in mekaar zet; een computerprogrammeur toont zich een vakman wanneer hij een leesbaar, helder en logisch programma schrijft met zo weinig mogelijk ballast; een auteur noemen we een vakman wanneer hij ons met taal beroert, bv. door gevoelens of gedachten zo raak te omschrijven waardoor we het gevoel hebben de werkelijkheid beter te begrijpen. In die optiek valt ook het leraarschap onder de menselijke ambitie om de dingen goed te doen. Kinderen leren lezen, schrijven of rekenen; dat zijn taken waarbij elke toegewijde leerkracht weet wanneer hij of zij het werk goed heeft gedaan.

Vakman word je door te oefenen

Vakmanschap is dus verbonden met standaarden en kwaliteit. Goed werk is kwaliteitsvol werk. Sennett verwijst daarvoor onder meer naar Plato, een van de grootste pleitbezorgers van vakmanschap. Plato voert vakmanschap terug tot het woord poiein (maken), het moederwoord voor poëzie. En wanneer een vakman iets maakt, dan kan dat niet los worden gezien van het Griekse concept arete, d.i. de standaard van excellentie. Vakmanschap is voor Plato dus in essentie gedreven door kwaliteit. De koppeling van “gedreven” en “kwaliteit” is hierbij belangrijk. Het verwijst naar de ambitie van elke vakman om het telkens beter te doen, bijvoorbeeld wanneer iets niet bij de eerste poging lukt. Plato was trouwens al in zijn tijd ongerust over het lot van de vakman. Zo noteerde hij dat hoewel alle vakmannen poëten (makers) zijn, ze spijtig genoeg niet allemaal zo worden genoemd. Ze krijgen andere, onderscheidende namen. Hierdoor wordt verhuld wat ze gemeenschappelijk hebben.

Vakmannen zijn vakkundig in hun vak. Dat betekent dat ze de vaardigheid hebben om hun werk goed te doen. Maar hoe hebben ze die vaardigheden verworven? Sennett is hierin heel duidelijk. Door oefening, door herhaling en door training. Vakmanschap is voor hem een kwestie van getrainde en geoefende praktijk. In die zin is vakmanschap het tegenovergestelde van de coup de foudre, de plotse inspiratie. Dat laatste idee is vandaag nochtans zeer aanwezig, ook in het onderwijs. We verwachten van het leraarschap een bepaalde originaliteit en zeker ook inspirerende lessen. Op zich heeft Sennett hier niets op tegen, maar toch waarschuwt hij nadrukkelijk voor een woord als inspiratie. Het aanlokkelijke eraan, zo stelt hij, is de overtuiging dat puur talent de plaats kan innemen van oefening. Wanneer inspiratie in het (onderwijs)discours een dergelijke ondertoon krijgt, dan zijn we er beter voor beducht. Hij verwijst daarbij expliciet naar modern onderwijs waarin herhaling al te vaak als iets geestdodend wordt beschouwd. Als onderwijs herhaling en routine vermijdt, ontneemt het kinderen de ervaring om na te denken over de eigen verinnerlijkte routines én de kans om die van binnenuit bij te sturen en te veranderen.[6] Wat dit concreet betekent, maakt Sennett duidelijk aan de hand van een voorbeeld uit de muziek. Het inoefenen van een muziekstuk vereist een goed georganiseerde herhaling. Je last pauzes in om de spanningsboog van leren te ontspannen. Maar telkens herbegin je weer. Merkwaardig daarbij is dat naarmate je vaardiger wordt in iets, je gemakkelijker de herhaling aanvaardt. Op een bepaald moment word je zo vaardig in iets dat de inhouden zelf die je herhaalt, veranderen. Naar de beroemde violist, noemt Sennett dit de Isaac Stern-regel. Hoe beter je techniek, hoe langer je kan oefenen zonder het beu te worden. Hier ontstaan de Eureka-momenten die deuren openen om verdere stappen te zetten, die je met andere woorden over een bepaalde barrière of probleem helpen. Het is belangrijk te blijven beseffen dat die Eureka-momenten niet vanzelf komen, maar altijd zijn ingebed in routines. Wat Sennett hier intuïtief beschrijft, komt verrassend goed overeen met het concept van deliberate practice van de cognitief psycholoog Anders Ericsson. Zijn onderzoek toont aan dat wanneer je een verklaring zoekt voor kwaliteitsvolle prestaties, ‘talent’ als verklarende variabele steevast uit de boot valt. Kwaliteit – en zo je wil, topprestaties – zijn niet het resultaat van talent, maar wel van doelgerichte oefening.

Sennett is niet blind voor de gevaren inherent aan vakmanschap. Wanneer je iets steeds beter kan, veranderen ook je standaarden en wil je naar de top (ook hier is de link met Ericsson sprekend). Soms worden die standaarden op hun beurt onbereikbaar. Bij vakmanschap loert dus steevast het gevaar van perfectionisme – een onhoudbare competitie met jezelf – om de hoek. Zaak is om als vakman een evenwicht te vinden tussen hoe de zaken moeten worden gedaan (absolute standaarden of correctheid) en de realistische tevredenheid die je ervaart wanneer je vaststelt dat iets werkt (functionaliteit).

Vakmanschap is gericht op de wereld

In het tijdvak dat we in geschiedenis aanduiden als de renaissance gebeurt er iets opmerkelijk: sommige vakmannen worden kunstenaar. Bij die vaststelling hoort natuurlijk volgende voor de hand liggende vraag: waarin verschilt het kunstenaarschap van het vakmanschap? Sennett haalt eerst een aantal evidente verschillen aan. Vakmanschap verschilt bijvoorbeeld numeriek van het kunstenaarschap. Het waaiert uit over veel meer beroepen en er zijn er ook veel meer. Maar het belangrijkste verschil tussen beide cas de figure, schuilt volgens Sennett in de gerichtheid. Vakmanschap is op de wereld, op de gemeenschap, gericht. Kunstenaarschap is naar binnen, naar de kunstenaar zelf, gekeerd. Bij uitstek in onderwijs toont vakmanschap dat aan. Als leerkracht probeer je je leerlingen op de best mogelijke manier te begeleiden in je vakgebied. Je spijkert jezelf constant bij in de kennis over je vakgebied (het wat) en in de didactiek (het hoe). Door de praktijk leer je zelf ook bij wat in jouw geval het beste werkt, en wat jij het beste kan. Maar het doel van de leerkracht als vakman is zoveel mogelijk leerlingen van de klas te laten delen in wat jij als leerkracht weet en kan.

De kunstenaar richt zijn vakmanschap op iets helemaal anders. Hij claimt in de eerste plaats originaliteit en probeert zich door wat hij maakt of doet juist te onderscheiden. Het werk dat hij maakt, is een bewijs van zijn innerlijk leven. Dit is een ambitie die eerder vreemd is aan vakmanschap en veraf staat van het adagium “do a job well for its own sake”. Vakmanschap is dus in hoge mate anoniem, niet zoals een kunstwerk handgetekend door de kunstenaar. Vakmanschap versus kunstenaarschap betekent ook “the slow” versus “the sudden”. Het eerste vergt geduld en kunde, het tweede inspiratie en originaliteit. Plato is ook hier weer een duidelijke raadgever. Originaliteit is voor hem weinig meer dan een aanduiding van tijd. Het wijst op een punt in de tijd waarop er niets was en waarop er plots iets verschijnt. Aan iets wat origineel is, ligt trouwens ook geen zichtbaar gedeelde kennis ten grondslag. Het haalt omzeggens de waarde uit zichzelf.

Het is dan ook vreemd dat onderwijs zich heel vaak spiegelt aan het kunstenaarschap, of met de woorden van Sennett, aan de coup de foudre, aan het zelfontdekkende of aan de idee van aangeboren talenten. Nochtans ligt daar niet de essentie van onderwijs. Veel meer ligt de gemene deler van onderwijs bij vakmanschap, bij de geduldige en herhaalde oefening van skills die problemen oplossen om vervolgens weer op andere problemen te botsen en ook die, op hun beurt, verder te lijf te gaan.

Bronnen

[1] Tim Surma (2/09/2023), Het grote onderwijsdebat. Het Nieuwsblad.

[2] Raes, A. & Elen, J. (2023). Generatieve AI: quo vadis, onderwijs? Karakter, Tijdschrift van Wetenschap, 83, p.13.

[3] De Schutter, D. & Peeters, R. (2016), Hannah Arendt. Politiek denker. Kapellen, Pelckmans, p. 21.

[4] De Schutter, D. & Peeters, R. (2016), p. 31.

[5] Sennett, R. (2008). The Craftsman, p. 9.

[6] Sennett (2008), p. 38.

De Schutter, D. & Peeters, R. (2016). Hannah Arendt. Politiek denker. Kapellen: Pelckmans.

Ericsson, A. & Pool, R. (2016). Piek. Houten: Spectrum.

Sennett, R. (2008). The Craftsman. Yale: Yale University Press.